zaterdag, mei 30, 2009

Blunder


Blunder (de(m);-s) een grove vergissing in woord of daad

Of het een grove vergissing was zal ik nooit weten. We schrijven 1977, de maand heet augustus, de zon schijnt en het land glooit. Waar het Nidderdale uitdooft in de hoge heuvels van Yorkshire ligt het dorpje Lofthouse. Het is idylisch en pittoresk: een winkel is tevens postkantoor en er is één wegwijzer met drie armen. Camping linksaf.
Voorbij de camping, waar de weg ophoudt, ligt een pareltje verborgen. Over een afstand van een paar honderd meter heeft het riviertje uit de heuvels een diepe kloof uitgesleten in de blijkbaar zachte ondergrond. Wild kolkt het water tussen hoge wanden. Je kunt er lopen over smalle paadjes, over een dansende brug en zelfs door een grot met maar één gang. In het donker ga je half bukkend met je zaklantaarn schuin omhoog totdat je opeens uit een gat in een hoger gelegen weiland naar boven komt, tot verbazing van de wandelaars.
Mijn vier medereizigers zijn samen de tweehonderd ruimschoots gepasseerd. Ik ben alleen. Op campings heb ik al snel contact met leeftijdsgenoten. Dit keer is het een Engels jongetje dat vaker in Yorkshire kampeert. We voetballen een beetje en gaan een keer of wat per dag naar de gorge om door de grot te kruipen. En ik leer de woorden die Engelsen echt nooit gebruiken. De jongen heeft een zusje van een jaar of wat jonger. Ik ben zeventien. Zij is, wat zal het zijn? Veertien? Een baby! Wat een leuk meisje is dat.

Ze gaat steeds vaker mee de grot in. Ze wil met me badmintonnen. Campingsport wordt campingliefde, maar dat weet ik dan nog niet. Daar ben ik veel te bleu voor. Ik badminton me suf totdat mijn ouders zeggen dat we de volgende dag opbreken richting York. Ik werp tegen dat ik hier langer wil blijven. We kunnen toch ook een dagtocht maken naar York, je weet toch hoe vervelend die stadscampings zijn. Het helpt allemaal niet. De volgende ochtend gooi ik met de stokken van de voortent. Kleng. Ze komt kijken. Ze zegt: geef me je adres, dan schrijf ik je. Tot mijn verbazing hoor ik mezelf zeggen dat het geen enkele zin heeft omdat ik toch niet terug schrijf. Ze loopt weg. Ik spring van de rots de gorge in, ik jaag een kogel door mijn hoofd, ik verhang me onder de wankelbrug, ik rijd in een Peugeot naar York.

Een jaar later, met een diploma op zak, fiets ik door Yorkshire. De jongens laten zich gewillig meetrekken richting Lofthouse. Daar schijnt een mooie gorge te zijn, als je Blaak mag geloven. Van Pateley Bridge naar Lofthouse is een uurtje fietsen door het smalle dal. Ze is er wel ze is er niet, ze is er wel ze is er niet. Ze komen hier vaker. Ze zal er zijn.

Mijn adres. Meijerswegje in Emmen. Misschien had ik nu in een landhuis gewoond. In Devon of zo. Met een jachthond over de heuvels. In de Jag naar de stad. Natuurlijk zouden haar ouders rijk zijn en geld en land nalaten. Had ik maar dat adres gegeven. Dan zou ik een Engelsman zijn. En dan zou ik me vast ook herinneren hoe ze ook alweer heet.

2 Comments:

Blogger edmund w. brand said...

Vanochtend: haren recht overeind op de armen. Die stenen, dat water, die kloof, die camping! Eind jaren 70 was ik er ook een paar weken. Aan het water een keer, een andere keer aan het muurtje. Perfect. Maar dan ga je vele jaren later toch maar op zoek naar vroeger. Op naar Lofthouse dus. Pateley Bridge is er nog. Het Nidderdale ook. De camping zoals jij en ik die kenden niet meer. Niet te stoppen, de vooruitgang. Dankjewel. Ik ga nu oude foto's opzoeken.

8:03 a.m.  
Blogger edmund w. brand said...

mooi weer om te surfen: www.studfoldfarm.co.uk

11:44 a.m.  

Een reactie plaatsen

<< Home